RUIMTEGEBREK HUISVESTINGSPROBLEMATIEK

Veelal roepen krakers dat als er leegstand en woningnood is, kraken de oplossing is. Klopt, er worden inderdaad veel mensen via kraken aan een woning geholpen, maar kraken is meer dan de uitlaatklep voor een woningmarkt die niet aan iedereen plaats kan bieden. Hieronder wordt ingegaan op een aantal achtergronden met betrekking tot volkshuisvesting en ruimtelijke ordening, het heeft tot doel meer achtergrond te verschaffen bij het kraken.

1.1 Woonnood

Het openlijke kraken begon in Nederland in de jaren zestig en werd gedaan door mensen die direct hun woningprobleem wil- den oplossen. Al snel werd het ook onder de Provo’s en Kabouters een politiek actiemiddel om de ontevredenheid met het woningtekort te uiten en er direct een praktische oplossing aan te koppelen.

Men stelt dat er in die tijd een absoluut woningtekort was. Er waren simpelweg niet genoeg woningen voor de woonwensen van iedereen. Bij die woonwensen ging men er van uit dat iedereen die volwassen was een huis moest kunnen vinden. Door de afname van de gezinsgrootte en de groei van de bevolking kwam er behoefte aan meer woningen.

Deze woonnood werd begin jaren tachtig sterk minder toen de stadsvernieuwing op gang kwam en vele overloopgemeenten maar ook de opgeknapte oude steden weer voldoende mensen konden opnemen. Er ontstond zelfs leegstand, nu niet omdat eigenaren leegstand wilden, bijvoorbeeld in afwachting van sloop of puur vanwege speculatie, maar omdat woningzoekers bijvoorbeeld niet in de Bijlmermeer wilden wonen. Wel waren en zijn de wachtlijsten voor andere buurten nog erg lang.

Men begon te spreken over kwalitatieve woningnood om onderscheid te maken met de kwantitatieve woningnood. Het is dan ook niet vreemd dat Amsterdamse krakers in de jaren ’80 wel eens het verwijt kregen dat ze maar in de Bijlmer moesten gaan wonen. Het probleem was wel dat daar relatief grote woningen stonden die vooral voor gezinnen bedoeld waren en ook relatief duur waren. Krakers komen veelal voort uit de groep alleenstaande starters op de woningmarkt en waren daar dus niet mee geholpen. Ook zou het natuurlijk zonde zijn om de leegstand van woningen elders dan maar te accepteren.

Verzelfstandiging

Sinds begin jaren negentig, met invoering van de nieuwe huisvestingswet, is er een omslag gekomen in de volkshuisvesting. Woningbouwverenigingen worden grotendeels verzelfstandigd, geprivatiseerd, en krijgen veel minder subsidie om de bouwkosten te bestrijden. De Woningbouwverenigingen worden woningbouwcorporaties. Het goedkoop houden van nieuw- bouw moet nu bekostigd worden uit winst die bij andere projecten behaald wordt.Volkshuisvesting werd dus meer en meer afgestemd op de tendensen en regels zoals die gelden op de vrije markt, het denken over wonen werd commercieel. Al gauw werden de rekenmachines uit de buroladen van de woning- bouwcorporaties getrokken en men kwam tot de conclusie dat er meer goedkope woningen waren dan mensen die er gezien hun inkomen recht op hadden.

Omdat de woningbouwcorporaties graag wilden ‘presteren’, leek het hen slimmer om dan maar goedkope woningen op te ruimen door ze te slopen of verkopen. De compensatie zou in nieuwbouw naar voren moeten komen. Een klein aandeel van de nieuwbouw werd wat goedkoper gerealiseerd en dit werd betaald uit de winsten die men kon opstrijken uit de verkoop van woningen en het bouwen van duurdere huizen. Het is natuurlijk hoe dan ook zonde om goede goedkope woningen te vervangen door nieuwe woningen die sowieso duurder zouden zijn. Voor de statistieken van de woningbouwers zag het er echter wel goed uit: Er zijn zo en zoveel woningen duur verkocht, daar en daar gesloopt en zo en zoveel duurdere woningen bijgebouwd. Wat ervoor moest wijken, woog niet zo zwaar, er waren immers zogenaamd genoeg goedkope woningen!

De mensen die uit de oude woningen moesten verhuizen, kregen als ‘urgent’ voorrang op de wachtlijsten. Soms trokken deze mensen in de nieuwbouw. Een hogere huur kon vaak opge- vangen worden door huursubsidie, tegenwoordig huurtoeslag genoemd. Dat dit een uiterst gevaarlijke manier van subsidiëren is, blijkt voor de bewoners als ze iets meer gaan verdienen en dan plots flink minder aan subsidies en tegemoetkomingen krij- gen. Ook kan de politiek in een handomdraai met een wets- of beleidswijziging een dergelijke regeling afschaffen of beperken.

Het slopen en later ook grootschalig verkopen van goede en goedkope huurwoningen leverde een groot aantal ‘stadsver- nieuwings-urgenten’ op. Al deze urgenten kregen voorrang op wachtlijsten voor een nieuwe woning. In de jaren negentig liep in een stad als Amsterdam de wachttijd voor de betaalbare huurwoningen dan ook sterk op.Van leegstand in de Bijlmer is geen sprake meer.Via het hedendaagse woningverdeel-systeem reageren ook daar tegenwoordig honderden gegadigde woning- zoekers per vrijgekomen woning, de gemiddelde wachttijd voor een sociale-huurwoning is in de hoofdstad opgelopen tot over de 10 jaar.

Doorstroom

De doelstelling van ‘sociale’ woningbouwers is om een door- stroom op gang te brengen. Sloop en verkoop van goedkope huurwoningen en de bouw van nieuwe, duurdere, woningen zou leiden tot een aantal verhuizingen: de nieuwe bewoner van een koopwoning of duurdere huurwoning laat een oude goedkopere woning achter die dan aan iemand met een kleiner budget verhuurd wordt… Al deze mensen zouden er op vooruit gaan in hun ‘wooncarrière’. Een dergelijke verhuisketen stopt of komt zelfs helemaal niet op gang wanneer mensen een woning zoeken als ze bijvoorbeeld scheiden of als starter nieuw komen op de woningmarkt.

De beleidsmakers stagneren de doorstroom ook voornamelijk zelf. Ten eerste omdat een leeuwendeel van de vrijgekomen woningen die volgens de ‘doorstroom’ theorie beschikbaar moeten komen voor de starters of minder draagkrachtige huurders gesloopt worden of verkocht aan de hoogste bieder. Daarbij zijn de vrijgekomen woningen die volgens beleidsregeltjes weer in de sociale verhuur beschikbaar zouden moeten komen eigenlijk te duur voor de meeste starters of anderen met een wat minder fors budget. Door verschillende huur verhogende maatregelen, zoals de Donnerpunten en een monumententoeslag, hebben de voormalig goedkope huurwoningen bij mutatie (wisseling van bewoners) een veel hogere huurprijs dan daarvoor. Een huurwoning van dezelfde grootte en kwaliteit is dus fors duurder geworden, laat staan wanneer je wel eens wat groter wilt gaan wonen… Hierdoor verhuizen mensen veel minder, mensen blijven zitten waar ze zitten. Al deze zaken illustreren dat de woningmarkt op slot zit en er praktisch op weinig manieren goedkopere woningen achterblijven en zeker niet bijkomen.

Het lijkt er dan ook meer op dat sloop van woningen die kwalitatief nog wel een tijdje mee zouden kunnen en de verkoop van betaalbare huurwoningen een andere doelstelling heeft: Mensen die daar ooit met een lager inkomen zijn komen te wonen maar nu geen recht meer op die woning zouden hebben (scheefwoners in jargon) kunnen zodoende gedwongen worden duurder te gaan wonen. Een nogal botte methode dus die veel meer mensen raakt dan alleen de zogenaamde scheefwoners. Helaas voor de mensen die geen scheefwoner zijn: Er zijn veel minder betaalbare woningen over na de sloop en verkoop. Een verhuis- kostenvergoeding, urgentie en huurtoeslag zijn doekjes voor het bloeden. De individuele verhuizer heeft hier wel net wat aan, maar de woningzoekende zonder urgentie heeft te maken met een steeds ontoegankelijkere en duurdere woningmarkt.

Dat huizenbazen en de vastgoedlobby wel staan te juichen bij woningschaarste en dus hogere verkoop- en huurprijzen is geen hogere wiskunde, dat is macro economie uit de brugklas van de havo.

Een andere motivatie voor het sloop-, verkoop- en bouwbeleid is om meer huishoudens met hogere inkomens in de stad te houden en te krijgen. Het oorspronkelijke model, waarbij huishoudens bij een toename van hun inkomen en mobiliteit een ruimere woning zoeken en gezien de woningmarkt dan meestal in suburbia of provincie-gemeenten terechtkomen, zint veel beleidsmakers niet. Gemeenten denken liever als eiland in het grote geheel en willen deze geldgeneratoren en ruimteverslinders met hun specifieke woonwensen binnen de gemeen- tegrenzen houden. Daarbij is het in de stad blijven plakken als gezinnetje tegenwoordig hip. Hiervoor zijn niet alleen grote woningen nodig, maar moet ook alles opgepoetst worden en aan de eisen van suburbia voldoen, welkom in bakfietsmoeder.nl.

Welke rol heeft het kraken hierin?

Ten eerste zoekt een deel van de mensen die door deze ontwikkelingen niet aan een woning kunnen komen in kraken een individuele oplossing. Dit gaat in Nederland om honderden mensen per jaar. Maar als totale oplossing voor de woonproblematiek is het kraken op zich, gezien de aantallen, geen oplossing.Wel zorgen opmerkelijke kraakacties er voor dat eigenaren ervoor waken om panden te lang leeg te laten staan. Krakers werken zo met hun activiteiten ook mee aan de wijdverbreide houding in Nederland dat in tijden van woonnood het onge- bruikt laten van onroerend goed niet acceptabel is.

Ten tweede verzetten veel krakers zich tegen de uitverkoop en sloop van betaalbare huurwoningen. De grote vraag is hoe succesvol krakers hierin zijn… Wettelijk gezien kunnen krakers makkelijk ontruimd worden als er plannen zijn met een pand. Het middel kraken heeft dus niet direct een juridische kracht in het strooien van zand in de sloop- en verkoopmachine. Ook hier is het effect waarschijnlijk het grootst in politiek opzicht en de mentaliteit.Veel illusies maken wij ons echter niet over geïsoleerde kraakgroepen die deze politiek uitdragen. Veel krakers beperken zich tot een juridische en fysieke strijd tegen sloop en uitverkoop. Het zoeken naar draagkracht en platformen en samenwerking aangaan met andere buurt- en bewonersgroepen en andere organisaties is essentieel om tot resultaat te komen.

1.2 de inrichting van ruimte en wonen

Binnensteden kregen in de jaren zestig en zeventig te maken met leegloop. Bedrijven vertrokken omdat de behoefte aan bereikbaarheid voor de auto daar niet waargemaakt kon worden. Bewoners vertrokken naar betere woningen en de stadsvernieuwing kwam slechts traag op gang. Deze ontwikkelingen leidden tot leegstand en verkrotting. Overheden maakten plannen om steden radicaal anders in te richten, plannen voor snelwegen, kantorencentra en hoogbouwwoningen doken in zowat elke stad op. De tegenbeweging die dit opriep, pleitte voor behoud van oude structuren en buurten. Kraken speelde in die tegenbeweging in veel steden een rol, het bekendste voorbeeld zijn de activiteiten in de Nieuwmarktbuurt te Amsterdam in de jaren zeventig.

Het denken over steden veranderde en men ging betogen voor een compacte stad. Geen uitspreiding over het platteland tot waar de auto reikte maar functies in een stadsgebied verenigen en dus bouwen in hoge dichtheden. Ook zouden de verschillende functies als wonen en werken niet zo radicaal van elkaar gescheiden moeten worden als men eerder van plan was. Bijpassend beleid heeft ervoor gezorgd dat Nederland niet is geworden als Vlaanderen. De veel ruimte innemende luxe-bebouwing verspreid langs wegen is in Nederland minder aanwezig. Door het opkalefateren en investeren in de oude stedelijke gebieden zijn deze niet zo leeggelopen als in bijvoorbeeld Brussel en Antwerpen.

Wel leverde een economische teruggang tegelijkertijd met het beschikbaar komen van veel nieuwe kantoorgebieden aan de rand van steden in de eerste helft van de jaren negentig een nieuwe leegloop op van kantoren uit de Nederlandse binnensteden. Het motto ‘Kraak de leegstand, begin met een kantoor- pand’ vindt hierin zijn oorsprong. De leegstand als gevolg van deze ontwikkelingen heeft zeer waarschijnlijk voor het overleven van het georganiseerd kraken gezorgd in de tijd dat nieuwe wetgeving de zaken moeilijker maakte.

Het gevolg van het beleid om steden compact te houden is dat er niet ongebreideld gebouwd kan worden en dus de druk op de bestaande ruimte toeneemt. In de tweede helft van de jaren negentig, ten tijde van een zeer voorspoedige economie, stegen de prijzen dan ook de pan uit. Zelfs de meest verstokte speculant verpatste zijn bezit of bouwde er dure appartementen of kantoorruimte en incasseerde zo zijn winst. Het gevolg was dat krakers steeds minder lege panden vonden die ook nog eens voldeden aan de nieuwe eisen van de kraakwetgeving.

louche types, vage panden

We constateren vanaf midden jaren ’90 in Amsterdam een toename in het kraken van ‘vage’ panden. Het louche type huisbazen die uit meer en minder legale overwegingen hun panden leeg lieten staan kwamen in de picture bij krakers. Het aantal knokploegen dat tegen krakers werd ingezet, nam in deze periode dan ook sterk toe. De inmiddels geliquideerde Bertus Luske is het meest bekende voorbeeld. Later, in de 21e eeuw, worden onder meer het witwas-pand Van Ostadestraat 137 van de eveneens geliquideerde onderwereld advocaat Evert Hingst gekraakt, de krakers van Pretoriusstraat 28 bijten van zich af richting eigenaar en bizarre eigendoms-constructies en ook kwamen vastgoed-cowboys zoals Eric van Toorenburg en Jurri- aan de Reyer in het vizier.

Vrijplaatsen en subcultuur

Bijna overal in dit kleine kikkerlandje Nederland bestaat een druk op de ruimte. In dit kleine land moeten we het allemaal op een klein oppervlak met elkaar doen, bijna altijd krijgen de zogenaamde economisch relevante projecten voorrang met als direct bijeffect het toenemen van de druk op of het verdrukken van economisch minder cashende functies. Samen met het nieuwe woningbouwbeleid, de lastige juridische kraakbeperkingen en het inzetten van veel anti-kraak leidde dit ertoe dat veel vrijplaatsen en subcultuur in de verdrukking kwamen of na ontruiming geen nieuwe plek konden vinden. Panden in Amsterdam als Villa Omval, de Graansilo, de Kalenderpanden, pakhuis Afrika en actueel ook de Valreep zijn voorbeelden van verdrukking en verdrijving van vrijplaatsen met een niet commerciële subcultuur. De ontruiming van EuroDusnie in Leiden en de ontruimingsdreiging rond de Vloek in Den Haag zijn voorbeelden buiten Amsterdam.

Diverse gemeenten zagen wel wat in de broedplaatsfuncties van goedkope ruimtes en wilden op dit vlak beleid maken. Met name kunstenaars lagen goed. Minder kunstzinnige activiteiten zoals niet commerciële festival/feestlokaties, werkplaatsen voor ambachtslieden en politieke en maatschappelijke organisaties konden op veel minder sympathie rekenen. Daarbij werd de voor vrijplaatsen zo belangrijke onafhankelijke do-it-yourself cultuur in het broedplaatsen beleid grotendeels gesmoord. Nu de potten leeg zijn gemaakt aan allerhande oorlogen, infrastructurele projecten en ander absurd beleid en er een zogenaamd financieel crisisje over het land waaide is er weinig geld en ruimte meer voor dit broedplaatsen lapmiddelenbeleid.

De subcultuur in veel Nederlandse steden, zoals bijvoorbeeld Amsterdam of Utrecht, zelf is ook van karakter veranderd. De subcultuur in grote steden was altijd in staat tot culturele en creatieve zelforganisatie en in de slipstream daarvan wist het daarbij politieke thema’s aan te snijden en gemeentelijk beleid aan te pakken en te beïnvloeden.Tegenwoordig bestaat subcultuur meer en meer uit mensen en projecten die zich gericht van bovenaf laten sturen. Dit sturen gebeurt door gemeentelijk beleid om bijvoorbeeld wijkvernieuwing tot stand te brengen of ze laten zich sturen door de music industry, games industry en andere corpo- rate shit om een bepaald soort rauw of hip (puur!) randje te ver- zorgen. Subcultuur met zogenaamde pioniersfunctie gestuurd door gemeente, wooncorporaties en bedrijfsleven om een vaak onontdekt wat verwaarloosd buurtje of gebiedje aantrekkelijk te maken en zo de vastgoedprijzen in een dergelijk gebied omhoog te stuwen. Dergelijke ‘subcultuur’ is inmiddels door de hoge heren als toverformule binnen gentrificatie omarmd en krijgt ruimte aangeboden, zolang het maar a-politiek is.

De politiek getinte en kritische subcultuur is behoorlijk naar de achtergrond verschoven. Door de gemeente, wooncorporaties en bedrijfsleven is het natuurlijk verboden om je bijvoorbeeld met kraken of andere politieke kwesties te verbinden op straffe van uitstoting: geen aandacht, geen centjes, geen plek. Terwijl wanneer je jezelf maar zo opportunistisch mogelijk en kritiekloos in termen van participatie, bottom-up, cultuur, pop-up, creatieve stad of buurtcohesie formuleert, je wel aandacht en een plek kunt krijgen of behouden.

Van wie is de stad en wat is subcultuur? Slappe opportunistische mensen die aan het lijntje van de gemeente en corporate business lopen en dansen of vrije rebelse mensen die zich de stad ongevraagd deels toe-eigenen, wat te vertellen hebben en iets wezenlijks willen veranderen? Krakers zijn altijd een motor geweest binnen stedelijke subcultuur en juist krakers kunnen hierin nog steeds een belangrijke rol spelen. Dit omdat ze auto- noom en ongebonden wel de vrijheid hebben te doen wat ze willen en met kraakacties in provocerende panden en plekken op kunnen duiken om daar te doen wat ze goed kunnen: iets moois organiseren. En zo wijkvernieuwing, commercialisering van de stad, de rol van kunst en (sub)cultuur in de stad en andere politieke thema’s op een open en spannende manier onder de aandacht brengen.

Andere achtergrond artikelen

LEEGSTAND EN SPECULATIE
REDENEN OM TE KRAKEN
TIJDELIJKE HUUR EN ANTI-KRAAK